home contact
Het schip en haar vondsten
Gebouwd op een 'Nederlandse' werf?
Een van de deelonderzoeken dat is uitgevoerd door specialisten betreft de analyse van het hout van de ‘Woerden 7’. Dit werk is uitgevoerd door Yardeni Vorst, toentertijd stagiaire bij Stichting RING en recentelijk afgestudeerd aan de UvA op het hout van de ‘Woerden 7’. Bij dit onderzoek ging het niet alleen om het dendrochronologische onderzoek naar de datering van het schip (dendrochronologie is de wetenschap die zich bezighoudt met het dateren van houtmonsters aan de hand van de in de monsters herkenbare jaarringen). Ook de analyse naar hout afkomstig uit één boom, bewerkingssporen en hoe en in welke volgorde de planken vervolgens zijn gebruikt bij de constructie van het schip, waren onderwerp van onderzoek. Tot slot is gekeken naar de herkomst van het hout of anders gezegd waar de bomen zijn gegroeid.
Yardeni Vorst, archeoloog en houtspecialist.
[foto: Hazenberg Archeologie]
Een achterliggend doel van deze deelonderzoeken is gegevens aan te leveren voor de oorspronkelijke bouwlocatie van de ‘Woerden 7’. In algemene zin wordt er dikwijls vanuit gegaan dat de vrachtschepen als ‘verpakkingsmateriaal’ dienden van de lading. Hoewel die lading meestal niet precies aantoonbaar is, mag men veronderstellen dat het – naast voedseltransport van bijv. graan zoals op de ‘Woerden 1’ - vaak om bouwmaterialen gaat die voor de Nederrijnse grenszone bestemd waren; zogenaamde bulkgoederen. Nederland heeft van nature geen steen en daarom zijn baksteen, tufsteen en basalt enkele belangrijke materialen die over de Rijn stroomafwaarts werden getransporteerd. Dit bouwmateriaal was bestemd voor de grensforten (castella) in het benedenrijnse gebied, waarvan is vastgesteld dat de muren en belangrijke gebouwen vanaf 160 na Chr. geleidelijk aan werden omgebouwd van hout in steen. De relatie tussen deze verbouwingen van de grensforten en de datering van Romeinse scheepswrakken in de ‘Oude’-Rijn zone is evident. De bouwactiviteiten zullen ook een belangrijke impuls hebben gegeven aan transport over deze rivier. Er werd tot voor kort nauwelijks getwijfeld aan het gegeven dat daar waar de bouwstoffen werden gewonnen, ook de schepen zijn gebouwd. Het is immers niet meer dan logisch dat men het ‘verpakkingsmateriaal’ op locatie in elkaar zette in de buurt van de steengroeven. De voor ons gebied dichtstbijzijnde groeves bevinden zich in de Oostelijke Eifel, in de omgeving van Koblenz en Mayen. Daar hebben zich oudtijds door de vele vulkaanuitbarstingen steenafzettingen gevormd, die door de Romeinen in zowel dag- als nachtbouw zijn gewonnen. Basalt en tufsteen zijn daarbij de belangrijkste steensoorten.
Nieuw echter en zeer verrassend was de ontdekking dat niet alle delen uit Midden-Duitsland afkomstig waren, maar dat sommige houtdelen overeenkwamen met eikenhout uit het ‘Nederlandse' veengebied. Bovendien blijkt dat die bewuste delen tot de primaire constructie van het schip behoorden. Anders gezegd, dat het dus geen reparatiehout is, maar dat dit Nederlandse hout samen met het Duitse hout tegelijkertijd is verwerkt bij de bouw van het schip. De dendrochronologische (jaaringen-) dateringen van het Duitse en Nedelandse hout komen ook overeen: de kapdatum is gesteld op najaar/winter van het jaar 162 na Chr. Het hout blijkt tevens ‘groen' te zijn verwerkt, dat wil zeggen dat men direct na de kap begonnen is met de bouw van het schip. Het kan dan haast niet anders dan dat de van takken ontdane bomen zijn getransporteerd naar het Nederlandse Rijngebied, om ergens hier – op een Hollandse werf – te zijn verzaagd en verwerkt in het schip. Sommige sc heepsdelen waren blijkbaar niet voorhanden in de Duitse lading en ter aanvulling heeft men daartoe de Nederlandse stammen gebruikt.

Nu de achtergronden zijn geschetst kunnen we terug naar de resultaten van het houtonderzoek. Hiermee zijn spectaculaire resultaten geboekt. Allereerst dient vermeld te worden dat deze resultaten alleen mogelijk waren doordat er een zeer grote hoeveelheid houtmonsters is genomen van vrijwel alle onderdelen binnen het schip, zoals leggers, vlakgangen, knieën, vulstukken, boordgangen, potdeksel en opboeisel. Deze monsters konden zowel voor het dendrochronologische analyse als voor dendroprovenancing – het onderzoek naar de herkomst van hout – worden gebruikt.
Bij het bepalen van de dendrochronologische datering is gekeken naar het jongst gegroeide hout (het spinthout) en is op basis van een laatste jaarring en spintberekeningen een kapdatum vastgesteld tussen september 162 AD en april 163 AD. Bij dendroprovenancing is gekeken naar een sterke overeenkomst met ander dendrochronologisch gedateerd eikenhout, waarvan de herkomst min of meer bekend is. Daarbij kwam voor de ‘Woerden 7’ al snel een overeenkomst met de regio Midden-Duitsland naar voren. Daarmee leek bewezen en onderbouwt dat het schip uit dezelfde regio afkomstig was als waar de steengroeven voorkomen.

Bij nadere beschouwing echter bleek een aantal stukken hout dendrochronologisch af te wijken van de Duitse jaarringkalenders. Het gaat onder andere om de zogenaamde inzetstukken die tussen de kimplank en zgn. vulstukken ter hoogte van de voor- en achterheve waren geplaatst. Anders gezegd het gaat om hout van de primaire constructie. Het jaarringpatroon van dit eikenhout had wel zeer veel overeenkomsten met jaarringcurvencurven uit het Hollandse gebied; kortom het gaat hier om “Nederlands” hout dat bij de bouw van het schip in de oorspronkelijke constructie is gebruikt. Voor de duidelijkheid: het is dus geen hout dat later bij een eventuele reparatie aan het schip is toegevoegd, omdat het zit ingebouwd in de zijkanten van het schip en ook betreft datering niet afwijkt. Ten aanzien van de constructie kan nog het volgende worden geconcludeerd:

• De positie binnen het schip van het Nederlandse hout doet ook een voorkeur voor dit hout ten aanzien van bepaalde onderdelen vermoeden.
• Uit de Duitse bomen zijn vlakplanken gezaagd, waarbij planken die naast elkaar uit een boom kwamen, ook symmetrisch ten opzichte van elkaar in het vlak zijn geplaatst.
• Spanten met een knie zijn uit de toppen van deze bomen gehaald, met een bijl bijgewerkt en aangepast aan de zijkanten van het schip.
• Er is bij de bouw rekening gehouden met de richting waarin het hout neigt krom te trekken.
• Om scheuring te voorkomen zijn alle spijkergaten voorgeboord.
• Houten pennetjes in het vlak kunnen aanwijzingen zijn voor een tijdelijk systeem dat bij de bouw de planken bij elkaar hield. Mogelijk is het vlak op balken gebouwd.
In het blauw is het hout van Nederlandse eiken in de Woerden 7 aangegeven. [afb: Yardeni Vorst]
Wat kan nu uit het bovenstaande worden afgeleid over de oorspronkelijke bouwlocatie van de ‘Woerden 7’? Naar ons idee staat er maar één mogelijkheid open: het schip is in Nederland gebouwd! Hoewel in theorie natuurlijk niet is uitgesloten dat het Nederlandse hout naar Midden-Duitsland is vervoerd om daar in de primaire bouwconstructie te zijn verwerkt, is het tegenovergestelde veel aannemelijker namelijk dat het Duitse hout stroomafwaarts is gekomen en het geheel hier in elkaar is gezet.
Bovendien zijn er - indirect - nog meer aanwijzingen die duiden op een ‘Nederlands’ ontwerp van het schip. Zoals elders verwoord, heeft de ‘Woerden 7’ grote overeenkomsten met een ander schip uit de benedenrijnse zone, namelijk de ‘Zwammerdam 6’. Hoewel dit vaartuig wat geringere afmetingen heeft dan de ‘Woerden 7’, zijn de overeenkomsten tussen beide vaartuigen treffend. Van alle riviervrachtschepen die we kennen uit de Noordwestelijke provincies van het Romeinse Rijk zijn het déze twee vaartuigen die als twee druppels op elkaar lijken. Natuurlijk hebben ook andere vrachtschepen overeenkomsten met de ‘Woerden 7’, maar ontbreken net de kenmerkende details zoals de enkele leggers, het kruislingse verband op voor- en achterdek, de roeibankdragers, de vele uitgehakte gaten in de leggers, de verhoudingen binnen het schip. Hieruit blijkt dat de ‘Woerden 7’ en de ‘Zwammerdam 6’ dusdanig op elkaar lijken dat ze met recht zusterschepen mogen worden genoemd, misschien wel afkomstig van dezelfde werf. Waar zich deze werf dan heeft bevonden, is naar aanleiding van het hiervoor beschreven houtonderzoek nog een onbeantwoorde vraag. Aangezien er Nederlands hout in de primaire constructie van de ‘Woerden 7’ is gebruikt, mag men aannemen dat de werf in ieder geval op ‘Nederlands’ grondgebied was gevestigd, vermoedelijk in de omgeving van de forten langs de Romeinse Rijn in de provincies Utrecht en Zuid-Holland.

Het laat tot slot nog de belangwekkende vraag open hoe het dan zit met de lading en de relatie met de roeiinstallatie. Anders gezegd: waartoe is de ‘Woerden 7’ eigenlijk gebouwd? Als het schip ooit natuursteen uit de Eifel heeft vervoerd – of andere ten opzichte van Woerden bovenstrooms gewonnen bulkgoederen, is het toch minstens één keer stroomopwaarts gevaren om het transport op te halen. Of bestaan de bulkgoederen niet uit stoffelijke materialen maar uit mensen?! Hoe het ook zij, op welke wijze men het schip bovenrijns heeft gekregen, laat zich niet aflezen uit de archeologische data. Maar wellicht speelt naast het zeilen en het jagen van het schip, onze aangetroffen roei-installatie hier dan toch een vooraanstaande rol als wijze van voortbewegen van de ‘Woerden 7’.
Print dit artikel
© Copyright Hazenberg Archeologie
Spilwangen, spil en roerinrichting
Over de tuigage op inlandse rivierschepen uit de Romeinse tijd zijn we derhalve bijzondere slecht geïnformeerd. Dat geldt ook voor de stuurinrichting op de platbodems.
lees meer
Roeien of manoeuvreren?
In eerste instantie is wel geopperd dat de opgraving van de 'Woerden 7' alle bestaande ideeën over goederentransport over water in Romeins Europa op de helling zette. Het schip bleek immers een nog nooit eerder aangetroffen combinatie van een platbodem en een galei.
lees meer